Bloedhond


Bloedhond De Bloedhond is een hondenras dat afkomstig is uit België, waar Sint Hubertus een hele meute van deze soort honden hield (St. Hubertushonden). Door zijn edele uiterlijk en bijzondere kwaliteiten als speurhond was het ras geliefd bij de Franse koningen. Willem de Veroveraar bracht hem in 1066 naar Engeland, waar de St. Hubertushonden door middel van selectief fokken werd veredeld in de Britse Bloodhound van nu. Een volwassen reu is ongeveer 66 centimeter hoog, een volwassen teef ongeveer 61 centimeter.


Toen de Bloedhonden naar Engeland kwamen, werden ze voornamelijk gebruikt voor hertejacht, maar vanwege hun voortreffelijke neus werden ze al snel ingezet voor het opsporen van misdadigers, veedieven en stropers. De naam Bloedhond wijst niet op het feit dat het ras bloeddorstig zou zijn. Het betekent eerder dat het hier om een volbloed onder de honden gaat. Het is een erg goede spoorzoeker en een aangename gezelschapshond.


De Bloedhond is een speurhond met een zeer sterk reukvermogen. De hond wordt veel gebruikt voor het opsporen van mensen. Vroeger was hij vooral voor de hertenjacht populair. Hij kan een redelijk oud geurspoor nog volgen. Het ras is vooral bekend vanwege dit reukvermogen. Om die reden is de Bloedhond in het verleden ook regelmatig ingekruist met andere rassen, met het doel het reukvermogen van die rassen te verbeteren. Door hun speurcapaciteiten doen deze honden het goed bij Clean Boot Hunting.


Rasbeschrijving
De Bloedhond is met zijn speciale uiterlijk een indrukwekkende hond. Het is een edele, waardige en slimme hond, zijn gang is gemakkelijk en soepel.


Hoofd: smal in verhouding tot de lengte en lang in verhouding tot het lichaam. Een zeer uitgesproken achterhoofdsknobbel, een grote hoeveelhuid losse huid op het hoofd, uitgesproken wam, lange, diepe en overal even brede voorsnuit.


Ogen: diepliggende, hoekige oogopeningen, zichtbaar bindvlies als gevolg van de overtollige huid, diep hazelnootbruin tot lichtbruin, harmonierend met de kleur van de vacht.


Oren: dun, zacht, laag aangezet en zeer lang. Ze moeten in sierlijke plooien neervallen waarbij het onderste gedeelte binnenwaarts naar achteren is gedraaid.


Gebit: schaargebit.


Hals:  lang


Lichaam: de borstkas hangt laag tussen de voorbenen, wigvormig. De rug en lendenen zijn sterk, de laatste diep en licht gewelfd.


Ledematen: goed gehoekte schouder en opperarm, rechte, krachtige voorbenen, geronde en krachtige botten, sterke voormiddenvoet. Goed gehoekte achterbenen, goed bespierd, met laag aangezette sprongen.


Voeten: sterk, goed gewelfd.


Staart: lang, dik, hoog aangezet, aan de onderkant goed behaard, wordt omhoog gebogen gedragen.


Vacht: glad, dicht, kort.


Kleur: zwart en rood, lever en rood of rood. Enig wit op de borst, de voeten en de punt van de staart is toegestaan.


Schofthoogte: reu 63-69 cm, teef 58-63 cm.