Hondsdolheid

Rabiës is de Latijnse naam voor hondsdolheid. In Nederland komt rabiës gelukkig maar heel af en toe voor, maar in een aantal Europese landen is het een groot probleem. Dieren en mensen gaan vrijwel zonder uitzondering dood binnen 7 dagen nadat de verschijnselen zich openbaren. De tijd tussen besmetting en het ontstaan van verschijnselen kan echter maanden in beslag nemen.
Hondsdolheid tast de hersenen aan. Honden en vossen met rabiës vertonen een ander gedrag dan ze voorheen hadden. De klassieke verschijnselen zoals agressie en watervrees komen echter lang niet altijd voor. Daarom moet in beginsel elke hond of vos die zich vreemd gedraagt of zomaar ergens dood wordt aangetroffen, van hondsdolheid worden verdacht (niet aanpakken).
De laatste jaren is bekend geworden dat rabiës ook bij een bepaalde soort vleermuis (Laatvlieger) voorkomt. Deze vleermuis komt vooral boven de grote rivieren voor. Ook in dit geval geldt: blijf van vleermuizen af!

Als u vermoedt dat een dier rabiës heeft geef dit dan zo snel mogelijk door aan de politie of bel het gemeentehuis. Na contact met een verdacht dier (likken, krabben, bijten) luidt het advies de wond zo snel mogelijk (uit) te wassen met veel water en (prik) zeep, de wond zo mogelijk met jodium te ontsmetten en direct contact op te nemen met een arts. Snelle behandeling kan levensreddend werken.

Vaccinatie
Meestal brengen honden en katten door middel van speeksel de infectie op de mens over. Daarom is vaccinatie, daar waar kans is op rabiës, van groot belang. Een aantal landen is vrij van rabiës en wil dit ook blijven. Vandaar dat zij strenge eisen (quarantaine, enting gevolgd door bepaling van afweerstoffen in bloed) stellen aan de toelating van dieren uit het buitenland. Andere landen stellen minder strenge eisen. Daarom is het belangrijk dat u, als u uw hond of kat mee wilt nemen naar het buitenland, tijdig bij uw dierenarts informeert over de eisen. In bepaalde gevallen (Scandinavische landen en Engeland) kan de totale procedure wel een half jaar in beslag nemen.

 

De ziekte hondsdolheid of rabiës heeft een misleidende naam, want ze is niet enkel voor de hond gevaarlijk: alle zoogdieren kunnen hondsdolheid krijgen, ook de mens.
Hondsdolheid wordt veroorzaakt door een virus dat de hersenen aantast. De ziekte wordt verspreid door speeksel van besmette dieren. In Vlaanderen en Nederland zijn er slechts zeer uitzonderlijk gevallen van hondsdolheid, maar in de vossenpopulatie in de Waalse Ardennen (onder Samber en Maas) circuleert de ziekte wel en is vaccinatie voor huisdieren op doorreis verplicht. Meestal blijft de ziekte aanwezig in een bepaalde streek binnen een dierenpopulatie, zoals de vos, de wasbeer of knaagdieren.

Hondsdolheid of rabiës, ook wel lyssa, is een ernstige aandoening als gevolg van een infectie met het rabiësvirus, meestal door een beet van een door rabiës besmet dier (honden, vossen, vleermuizen). Hondsdolheid is uiterst gevaarlijk voor mensen en leidt onbehandeld tot de dood.

Algemeen
Hondsdolheid is een virusinfectie van de hersenen die als hij eenmaal is uitgebroken, dat wil zeggen als de patiënt eenmaal symptomen van infectie vertoont, vrijwel altijd dodelijk afloopt[1]. Er zijn wereldwijd in de medische literatuur slechts enkele gevallen gemeld waarbij genezing optrad. Een recent geval gaf hoop op een nieuwe behandelmethode[2], maar het resultaat kon door anderen niet worden gereproduceerd[3]. Het virus wordt verspreid via het speeksel van besmette zoogdieren, meestal (maar niet altijd) carnivoren (o.a. honden, vossen, katten, apen en vleermuizen). In de VS wordt de ziekte ook wel overgebracht door beten van wasberen. Met rabiës besmette dieren zijn niet altijd te herkennen, sommige dieren dragen het virus bij zich zonder er zichtbaar last van te hebben. Verdacht is het als een dier agressief en onrustig is, of als een dier dat normaal in het wild leeft zoals een vos abnormaal tam is. In Nederland is al tientallen jaren geen inheems geval van menselijke rabiës geregistreerd; wereldwijd vergt hondsdolheid nog 40.000-70.000 doden per jaar, voor 80% in Azië (onder andere India) en Afrika. Ca 10 miljoen mensen worden per jaar wereldwijd na een beet profylactisch behandeld. De ziekte was al aan de oude Grieken als een aparte entiteit bekend.

Verloop
Er is na de besmetting een incubatietijd waarvan de lengte vooral afhangt van de plaats waar men gebeten wordt: hoe verder van de hersenen, hoe langer de incubatietijd. Beten in het gezicht hebben de kortste incubatietijd. In deze tijd reist het virus via de zenuwbanen omhoog naar het centraal zenuwstelsel. De incubatietijd kan van 2 weken tot vele maanden bedragen; 2 jaar is beschreven.

Deze tijd kan worden benut om het slachtoffer alsnog te beschermen door passieve en actieve immunisatie: er worden immunoglobulinen en rabiësvaccin toegediend in een aantal sessies. Hiermee lukt het vrijwel altijd om het uitbreken van de ziekte te voorkomen. Vooral vroegere vaccins hadden ernstige potentiële bijwerkingen, reden om ze niet te gretig uit te delen aan mensen met een zeer laag risico. Als men eenmaal gebeten is wordt vrijwel ieder risico van een vaccin natuurlijk geaccepteerd gezien de onvermijdelijk fatale afloop van de ziekte.