Domesticatie van de hond

Inleiding
De wolf is de voorvader van onze huishonden. Honden kunnen nog wel vruchtbare nakomelingen krijgen met wolven en kunnen om die reden biologisch gezien tot dezelfde soort gerekend worden. Toch zijn er veel opmerkelijke verschillen tussen huishonden en wolven. Dit geld in meer of mindere mate voor het uiterlijk en een aantal biologische kenmerken maar zeker ook voor het gedrag. Met een wolf in huis leven is simpelweg niet mogelijk. Een wolf is een wild dier dat zich niet thuis voelt in de omgeving van mensen. Honden zijn aangepast aan het leven met de mens. Dit proces van aanpassing aan het leven met de mens door erfelijke veranderingen gedurende meerdere populaties, samen met de veranderingen in de ontwikkeling van een dier door inwerking van de omgeving noemt men domesticatie. Honden, katten, maar ook koeien, varkens en paarden zijn voorbeelden van gedomesticeerde dieren. Deze verschillen vaak behoorlijk van hun wilde stamvaders. Een aantal gemeenschappelijke kenmerken van gedomesticeerde dieren zijn: Snellere groei, vroegere vruchtbaarheid en verminderde reactiviteit (de drempel om te op bepaalde prikkels te reageren wordt hoger)
Toch kun je zeggen dat er kwalitatief in gedrag van gedomesticeerde dieren niet veel is veranderd. De veranderingen zijn vooral kwantitatief. Dit wil zeggen dat er nauwelijks nieuwe gedragingen zijn bijgekomen of zijn verdwenen in vergelijk met de wolf in de natuurlijke situatie. De grote verschillen in gedrag zitten hem in de mate waarin een bepaald gedrag wordt vertoond. Een aantal gedragingen zijn afgezwakt of worden genegeerd , een aantal andere gedragingen wordt veel sterker of vaker uitgevoerd. De drempel om een bepaald gedrag uit te voeren kan ook sterk veranderd zijn. Dus hoewel een hond bijna alle gedragen van een wolf in zich heeft, zijn veel gedragingen afgezwakt of zijn er veel meer of juist minder prikkels nodig om het gedrag op te wekken.

 

Factoren die het domesticatie proces beïnvloeden

-De omgeving

In het wild zijn dieren aangepast aan de omgeving waarin ze leven. De omgeving waarin ze terecht komen bij de mens kan hier in meer of mindere mate van verschillen. De dieren die zich het beste aan de nieuwe omstandigheden aanpassen en zich naar wens van de mens gedragen hebben een bepaald voordeel. Ook de hoeveelheid beschikbare ruimte die dieren hebben is van belang voor het domesticatie proces. Vaak wordt aangenomen dat de situatie in de natuur een goede maat is voor de hoeveelheid ruimte die dieren nodig hebben. Dit hoeft echter niet noodzakelijk zo te zijn. De reden om er een groot leefgebied op na te houden kan heel goed te maken hebben met de hoeveelheid beschikbaar voedsel en niet met de natuurlijke behoefte aan veel ruimte.

-Eten en drinken

In de natuur zijn dieren voor een groot deel van de tijd bezig met het zoeken van voedsel. Dieren die hier goed in zijn hebben een voordeel ten opzichte van anderen. In gevangenschap wordt het voedsel door de mens geleverd en is het al dan niet goed aan je kostje kunnen komen niet meer van belang. Goed voor je eigen eten kunnen zorgen levert dus geen voordeel meer op.

-Bescherming

De mens biedt in zekere mate bescherming tegen natuurlijke vijanden van de huisdieren. Het zoeken van schuilplaatsen en het vluchten voor onbekenden is dus een eigenschap die voor veel huisdieren bijna overbodig is geworden. In het wild is dit een zeer belangrijk element in het gedrag en de lichamelijke mogelijkheden. Wie niet in staat is om op tijd te vluchten leeft niet lang en zal niet voor nakomelingen zorgen. Het wegvallen van dit selectie element betekent dat de vluchtreactie meer en meer zal afnemen. Het is immers veel minder van belang voor de overleving.

-Sociale omstandigheden

Zeker in het geval van dieren die in sociale groepen leven (zoals honden) is het veranderen van de manier waarop groepen gevormd kunnen worden en de mogelijkheden die er zijn tot afscherming van de groep van groot belang. In een beperkte omgeving van gevangenschap is de mogelijkheid tot vluchten of schuilen veel minder aanwezig dan in het wild. Dit betekent dat het dier een hoge tolerantie drempel moet hebben binnen een groep.

-Voortplanting

De manier van voortplanten, het kiezen van een partner en het blijven bij 1 partner  zijn eigenschappen die veranderen gedurende domesticatie. De partnerkeuze van honden wordt door de mens uitgevoerd, een aantal fokdieren wordt meerdere malen gebruikt. Wolvinnen hebben slechts een vruchtbare periode in het jaar, maar de meeste teven van de hond worden twee maal per jaar loops. De specifieke kenmerken die een reu aantrekkelijk maken voor een teef kunnen hele andere zijn dan de kenmerken waarop de fokker kiest. Dus aspecten als sociale status en het kunnen verdedigen word niet meer pepaalt door de hond .De mens is hier de beslissende factor.

-De wens van de mens

De mens vormt een verbinding tussen het dier en z'n natuurlijke omgeving. De omgeving wordt soms totaal door de mens gevormd en de eigenschappen en aanpassingen van de dieren worden door mensen gestuurd. Soms wordt een selectie op productie (melk, vlees of wol) toegepast en soms op gedrag en uiterlijk. Bij honden zie je een enorme verscheidenheid aan vormen en maten. Oorspronkelijk zijn de verschillende rassen gefokt met een bepaald doel voor ogen. De jacht, bewaking, gezelschap of veedrijven. Steeds weer is dan geselecteerd op bepaalde kenmerken in gedrag en in uiterlijk om tot een bepaald resultaat te komen. Voor bewaking is het nodig dat agressie opgewekt kan worden en dat er een behoorlijke motivatie is om tot bijten over te gaan toch moet ook een behoorlijke controle op het gedrag kunnen worden uitgeoefend. Bij de jacht is de component agressie niet zo nodig maar interesse voor wild en de drang om te apporteren is noodzakelijk. Ook in uiterlijk en lichaamsbouw stellen verschillende disciplines andere eisen. Een terriër die een hol in moet om daar een wild dier uit te halen (vos of das) heeft niets aan de afmetingen van een Duitse dog. Ook het karakter, niet opgeven maar fanatiek aan de slag is een vereiste om goed in die taak te kunnen slagen. Veel honden worden ook simpelweg op hun uiterlijk geselecteerd. Hun functie is mooi zijn. Hierin gaat de mens soms zelfs zover dat de gezondheid van het dier er zwaar onder lijdt. Een te platte snuit leidt tot ademhalingsmoeilijkheden, een te groot hoofd tot problemen bij de geboorte, een afwijkende stand van de poten verstoort de natuurlijke gang van de hond en geeft eerder problemen met de gewrichten. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden te bedenken. De verregaande specialisaties in bouw en gedrag levert een enorm aantal verschillende rassen op. Ieder ras is toegespitst op een bepaalde taak. Ze vertonen dan ook die kenmerken die gunstig zijn voor die bepaalde taak maar misschien juist heel ongunstig in een andere situatie. De rol van de hond is in de afgelopen honderd jaar veranderd. Voorheen werden de meeste honden gebruikt voor het doel waarvoor ze gefokt zijn, nu is de taak van de meeste honden huishond zijn. De oorspronkelijke raskenmerken zijn nog steeds aanwezig maar worden niet meer altijd even wenselijk gevonden.

-Wolf en de hond

Alles bij elkaar brengt de domesticatie een groot aantal veranderingen met zich mee. De verschillen tussen hond en wolf zijn niet gering. Honden hebben bij gelijk gewicht 30% minder hersenvolume dan wolven. Honden zijn eerder vruchtbaar en vaker. Honden zijn minder instinctief gedrag, ze vertonen minder agressie en zijn minder vluchtgevoelig. Wolven blaffen bijna nooit. Vreemd genoeg is blaffen een zeer populair gedrag bij honden geworden. Het gedrag van de huishond lijkt eigenlijk meer op het gedrag van jonge wolven dan op dat van volwassen dieren. De flexibiliteit en de grotere mate van tolerantie kom je bij volwassen wolven minder tegen. Het zomaar klakkeloos aannemen dat als iets bij wolven zo is, dit bij honden ook wel zo zal zijn is dus eigenlijk onzin. Hoewel onderzoek naar gedrag van sociale dieren ons veel kan leren over het gedrag van onze hond, moeten we echter altijd goed blijven bedenken dat onze honden gedomesticeerd zijn met alle gevolgen van dien